Drie argumenten voor een basisbeurs
Ooit is de basisbeurs ingevoerd met de gedachte dat iedereen in Nederland moet kunnen studeren, ongeacht financiële achtergrond. Maar met het afschaffen van de basisbeurs in de masterfase is de eerste stap gezet richting de ontmanteling van het stelsel. Dit heeft het debat over de studiefinanciering weer volop aangewakkerd, zowel in de krant als hier op Vrij-Zinnig. De meeste argumenten in dit debat zijn financieel van aard: de rijksbegroting tegenover het budget van de student, het rendement van de ‘investering’ in studie tegenover de schuldenlast voor alumni.
Om die discussie wat te verbreden, wil ik drie niet-financiële argumenten geven voor het behoud van de basisbeurs. Onderwijs dient immers meer dan enkel economische belangen, en de basisbeurs is meer dan slechts een financieel instrument.
1: Demotivatie: alleen studenten zijn slechter af dan werklozen
Zonder studiefinanciering worden studenten nagenoeg de enige groep Nederlanders zonder inkomensgarantie. Uitsluitend studenten worden gedwongen structureel te lenen voor basale levensbehoeften als voedsel, kleding en onderdak. Dit terwijl ze een legitieme reden hebben om niet te werken; ze behoren een volle werkweek van veertig uur aan hun studie te besteden — soms zelfs meer. Waar ik op wil wijzen is niet zozeer de financieel precaire situatie van de student, maar het door de samenleving afgegeven signaal dat je beter werkloos thuis kan gaan zitten dan vier jaar van je leven in een opleiding investeren.
2: Maatschappelijk draagvlak voor een publiek goed
Tegen bovenstaand bezwaar wordt vaak ingebracht dat dit opgelost kan worden met een systeem dat alleen arme studenten ondersteunt, in plaats van een algemene basisbeurs. Dit is echter om twee redenen onwenselijk. Ten eerste omdat de overheid geen inzicht heeft in de financiële situatie van een individuele student en dus niet kan onderscheiden welke studenten daadwerkelijk steun behoeven. Maar belangrijker is het karakter van onderwijs en de basisbeurs als collectieve voorziening. Het is redelijk om aan hogere inkomens een relatief hogere bijdrage te vragen via het progressieve belastingstelsel omdat goed en toegankelijk onderwijs een project van en voor de gehele samenleving is. Onderwijs is een publiek goed. Uitsluitend selectieve studiefinanciering resulteert in een ‘dubbel-progressief’ extra instrument voor inkomensherverdeling en vermindert zodoende het draagvlak voor onderwijsinvesteringen als publiek goed.
3: Van student tot burger
Ten derde is de basisbeurs onderdeel van de algehele vorming van studenten tot burgers. De student die een toelage ontvangt leert zo immers dat samenleven ook samenwerken betekent en zal deze gunst waarderen door later uit wederkerigheid een bijdrage aan de samenleving te leveren. De student die bij het verlaten van het ouderlijk huis van een onverschillige maatschappij hoort dat hij maar ‘in zichzelf moet investeren’, heeft geen enkele reden voor toekomstige wederkerigheid. Zijn eerste ervaring als onafhankelijk burger is minstens vier jaar financiële onzekerheid zonder enige consideratie. Voor deze student is de vormende ervaring dat je in deze samenleving volledig op jezelf bent aangewezen, en zodoende heeft hij geen enkele reden om later wél een bijdrage aan de maatschappij te leveren. Op deze manier draagt onderwijs inderdaad niet bij aan de vorming van een ‘moreel kompas‘ bij jongeren.
Dressuur voor werkpaarden
Dit kabinet doet alsof onderwijs niets anders is dan een productiesysteem voor toekomstige arbeidskrachten. Maar onderwijs is meer dan dat, het is één van de sterkste pijlers onder de samenleving en de inrichting van het onderwijs reflecteert onze kijk daarop. De basisbeurs is onderdeel van een maatschappij waarin burger samen aan een toekomst werken, die bovendien meer behelst dan alleen economische output. De ‘investeer in jezelf’-maatschappij is geen samenleving, maar een verzameling mensen die alleen hun eigen geldelijk gewin nastreven en de gezamenlijke morele diepgang van de financiële sector. Willen we daarentegen een daadwerkelijke samenleving, dan moeten we in nieuwe leden investeren in plaats van hen te isoleren.
Sociaal zijn voor studenten? Dan geen leenstelsel, maar een basisbeurs.
Op 2 januari verscheen er in de Volkskrant een stuk van Nikie van Thiel, voorzitter van de Jonge Democraten, waarin zij pleitte voor het afschaffen van de basisbeurs. Nadat ik daar in de Volkskrant van 9 januari op reageerde, wezen mensen mij erop dat Van Thiel zo hoffelijk was geweest hier weer een antwoord op te geven. Zodoende van mij ook weer een bijdrage aan dit debat. Iets uitgebreider dan de vorige keer, aangezien het ditmaal niet in de krant hoeft.
Steun juist de doorzetters
Op mijn argument dat de basisbeurs momenteel vooral kan voorzien in de behoeften van mensen uit minder rijke families, werpt Van Thiel tegen dat ‘maar weinig van deze jongeren’ daadwerkelijk gaan studeren. Deze uitspraak valt te betwisten; er zijn de afgelopen jaren steeds meer mensen zijn gaan studeren, naar ik verwacht met minder rijke achtergrond. Ook persoonlijk ken ik genoeg studenten die zeker niet de zoon of dochter van de spreekwoordelijke advocaat of chirurg zijn. Maar de tegenwerping van Van Thiel snijdt bovenal geen hout omdat het afschaffen van de basisbeurs het alleen maar moeilijker zal maken voor deze mensen om te gaan studeren. Van Thiel merkt terecht op dat de doorstroom van VMBO via HAVO of MBO naar HBO en WO lastig is. Onder de afgelopen kabinetten is deze route alleen maar lastiger geworden. Maar het afschaffen van de resterende geringe financiële zekerheid wordt nog een extra horde. Zeker wanneer dit wordt gecombineerd met verdwijnen van reisrecht en een duurdere tweede studie. De basisbeurs afschaffen is niet echt de manier om de mensen die wél de moeite doen om zich vanuit een krap inkomen of laag opleidingsniveau omhoog te worstelen te motiveren.
De overheid is geen Leen van Frisia
De tweede tegenwerping van Van Thiel is dat de uiteindelijke schuld wel meevalt. Op basis van de grove €3.000 per jaar die een student zou moeten lenen om zijn beurs volledig te compenseren, komt Van Thiel uiteindelijk op een maandbedrag van €32 over een volledige loopbaan. Ook dit is geen sterk tegenargument.
Ten eerste was de €3.000 per jaar een minimaal bedrag, ervan uitgaande dat de student alleen zijn basisbeurs van €250 vervangt. Wanneer een student volledig uit een lening zou moeten leven, wordt dit bedrag snel driemaal zo hoog[1]. Dat is na vijf jaar studie een schuld van €45.000. Volgens Van Thiel kan een student altijd nog zuiniger leven of meer gaan werken. Mijn schatting voor de maandelijkse kosten is volgens mij al laag, dus veel bezuinigen zal er niet inzitten. Meer werken is dubbel onwenselijk, omdat studeren ten eerste eigenlijk een voltijd baan moet behelzen en dit bovendien de last verschuift naar studenten wiens ouders níet in staat zijn het levensonderhoud van een studerend kind op te brengen.
Daarnaast is het delen van het bedrag door de volledige loopbaan een non-argument. Deze termijn is op geen enkele manier relevant. De last van de schuld ligt juist in de directe jaren na de studie, wat in deze tijden van economische onzekerheid geenszins prettig is. Dat je een bedrag veel kleiner kan maken door het door een semi-willekeurig groot getal te delen, doet daar weinig aan af.
Voor wat hoort wat
Als laatste neemt Van Thiel stelling tegen mijn kwalificatie van haar voorstel als naïef. Maar ook hier moet ik bij mijn standpunt blijven. Allereerst omdat de regering al heeft aangegeven het afschaffen van de basisbeurs wordt overwogen om een gat in de begroting te dichten. Het plan is dus geenszins het geld weer terug in het onderwijs te stoppen en ik acht het inderdaad naïef dan te hopen dat dit in de huidige omstandigheden toch zal gebeuren. Ten tweede is deze onderhandelingsstrategie gevaarlijk, omdat de JD bereid zijn de basisbeurs weg te geven voordat er ook maar iets concreets voor is ontvangen. De kans is aanzienlijk dat na het afschaffen van de basisbeurs de minister gewoon claimt dat er geen geld is om investeringen te doen. Dan is de basisbeurs weg en heeft de student daar niets voor teruggezien. In deze onzekere tijden is het daarom beter te behouden wat we nog hebben. Als de JD daadwerkelijk de basisbeurs voor die ietwat vage ‘investeringen’ willen uitruilen, moeten ze de volgorde omdraaien. Eerst een daadwerkelijke jaarlijkse investering die equivalent is aan de basisbeurs, daarna pas akkoord gaan met afschaffing. Nogmaals, dat zou niet mijn plan zijn, maar het voorkomt in ieder geval dat de JD de student aan Zijlstra uitleveren zonder hiervoor ook maar een kruimel terug te krijgen.
Een sociaal beursstelsel
Als laatste wil ik hier een kort argument vóór het behoud van de basisbeurs geven, om niet alleen maar het betoog van Van Thiel als uitgangspunt te nemen. Hierbij ga ik uit van het veelgehoorde argument dat de student later veel gaat verdienen, en dus prima een lening kan afbetalen. Dit is niet helemaal hoe ik zelf naar de relatie student-samenleving kijk, maar ik neem aan dat het een redelijke benadering is van de zienswijze van de JD. Volgens mij kan je ook vanuit dit oogpunt de basisbeurs beter behouden.
Immers, mensen die later meer verdienen, gaan meer belasting afdragen. Studenten die om welke reden dan ook geen grootverdieners worden, doen dat niet. Ook een academische titel is geen garantie voor een salaris boven de Balkenendenorm, en voor elke student die bankier of advocaat wordt, wordt een andere leraar of technicus. Vanuit dit oogpunt is de de basisbeurs een investering van de overheid in arbeidskrachten met een potentieel economisch rendement. Waar dit goed gaat krijgt de samenleving de investering terug via hogere belastinginkomsten en alle andere navenante voordelen. Mocht de student later nou geen astronomisch salaris verdienen, dan ontvangt de samenleving in financiële termen minder.
Echt sociaal is het risico van deze investering neerleggen bij de overheid, niet bij de student. De overheid kan haar investeringen immers spreiden en kan minder ‘rendabele’ studenten compenseren met anderen die meer opleveren. De individuele student kan dat niet. Het vermogen van de samenleving om het risico op investeren in studenten te dragen is dus groter. Zodoende is het socialer de investering vooraf door de samenleving te doen, via een basisbeurs, dan achteraf proberen dit te verhalen op een student. Nogmaals, zelf zie ik het nut van onderwijs als veel meer dan alleen economisch, maar ook vanuit dit beperkte perspectief is het behoud van de basisbeurs fatsoenlijk te beargumenteren. Kortom, een basisbeurs om studenten ongeacht hun achtergrond toegang te geven tot het onderwijs, is daadwerkelijk sociaal. De lasten en risico’s bij de student neerleggen via een leenstelsel is dat niet, hoe vaak je ook het etiket ‘sociaal’ erop probeert te plakken.
[1] Hierbij ga ik uit van de volgende maandelijkse uitgaven: huur €300, collegegeld €140, zorgverzekering €120, boodschappen €120 en transport & telefonie €70.
De Feitengoochelaars
In een onlangs op meerdere plekken verschenen betoog roept Dick Pels links op om ‘de feiten te laten dansen op de maat van de eigen muziek’. Wij moeten rechts niet verwijten aan fact-free politics te doen, maar erkennen dat feiten kneedbare dingen zijn. De kritiek op rechts zou ‘ hypocriet’ zijn. In plaats daarvan moeten wij ook leren de strijd om de feiten aan te gaan. Hoewel ik een student ben in andere vakgebieden dan Pels, heb ik toch twee bedenkingen bij zijn betoog. Allereerst wat betreft zijn hyperrelativering van feiten, maar daarnaast ook vooral aangaande de politieke kern van het stuk.
Zwaartekrachtontkenners
Allereerst Pels’ opvatting dat ‘de feiten’ niets meer zijn dan ‘reïficaties’ of ‘een ander soort argumenten’. Hierbij lijkt hij ‘de feiten’ te zien als één homogene verzameling. Pels behandelt feiten alsof deze allemaal hetzelfde zijn, maar lijkt daarmee voorbij te gaan aan een cruciale variabele, die ik hier de ‘hardheid’ van feiten zal noemen. Ik zal niet de natuurwetenschapper uithangen en beweren dat feiten in twee strikt gescheiden klassen zijn in te delen, al naar gelang ze wel of niet empirisch toetsbaar zijn. Maar men kan feitelijkheden wel rangschikken naar een meer of mindere mate van hardheid. Intuïtief is dit ook wel duidelijk. We kennen in de politiek wel ‘klimaatontkenners’, maar geen ‘zwaartekrachtontkenners’.
Deze hardheid wordt wellicht bepaald door empirisch onderzoek, experiment of het afwegen van verschillende theorieën. De hardheid van een verzameling feiten kan afhangen van hoe volledig deze een bepaald fenomeen kunnen verklaren, of hoe consistent ze in een theoretisch kader zijn te passen. De natuurwetenschappen nemen hierin wellicht een makkelijker positie in omdat de feiten daarin eenvoudiger empirisch te toetsen zijn. Maar ook binnen de sociale wetenschappen lijkt een dergelijke gradatie me mogelijk. Toch is dit onderscheid misschien interessant, aangezien Pels’ betoog vrijwel uitsluitend vanuit de geconstrueerde feiten van de sociale wetenschap lijkt te redeneren.
Terug naar de intellectuele prehistorie
En daarmee kom ik bij mijn primaire kritiek op Pels. Na eerst de feiten volledig gerelativeerd te hebben tot vrijblijvende stellingnames, moet hij moeite doen om hun relevantie te bewijzen. Maar binnen de logica van zijn eigen betoog zijn feiten niets anders dan ‘interessante uitbreidingen, nuances en variaties’. Dit slaat het fundament weg onder elk politiek debat. Immers, als er geen feitelijke werkelijkheid meer is om het over te hebben, waarom zou men dan nog politiek bedrijven? Politiek is een debat over hoe de wereld behoort te zijn (in tegenstelling tot hoe zij ‘is’) en behoeft dus minstens een ruwe schets van hoe de wereld erbij staat. De degradatie van feiten tot ‘andere argumenten’ vernietigt de noodzaak om überhaupt nog iets in concreto te willen veranderen. Waarom klimaatverandering, armoede, hongersnood of Aids-epidemie nog willen aanpakken, als deze zaken alleen maar ‘nuanceringen’ zijn?
Pels valt zodoende in de tegenovergestelde val dan die van de absoluut objectieve feiten, namelijk de absolute ontkenning van enige feitelijkheid. Daarmee speelt hij de ‘fact-free’ politici precies in de kaart. Want als feiten niets met de werkelijkheid te maken hebben, verdwijnen de ankers van het politieke debat en verwordt elke discussie tot een wedstrijd wie het hardste schreeuwt en het meest overtuigd is van zijn eigen gelijk. Argumenten zijn in deze situatie nutteloos, aangezien het referentiekader om deze op hun waarde te schatten ontbreekt. Om over nuances nog maar te zwijgen…
Het onbesproken maar cruciale detail bij dit probleem is, volgens mij, de eerder geschetste variabele hardheid. Sommige feiten zijn bijzonder hard: als je niet voldoende eet ga je dood, en klimaatverandering verstoort weerpatronen. Andere feiten zijn zachter: armoede wordt veroorzaakt door ongelijke handelsrelaties, levensbedreigende klimaatverandering is het gevolg van menselijk handelen. En daarmee herleeft de kritiek tegen ‘fact-free politics’ als het ontkennen of kneden van ‘harde’ feiten. Natuurlijk kan de hardheid van de feiten nog steeds inzet van discussie blijven, maar dan biedt de wetenschappelijke methode een redelijke maatstaf.. Ook aan die methode kan men twijfelen, maar dat is een heilloze weg die terug leidt naar de intellectuele prehistorie.
Politieke zelfkastijding
Mijn eerste probleem met de stelling van Pels is dus dat hij een cruciale eigenschap, de hardheid, van feiten onbelicht laat en daarmee het nut van feiten veel te snel relativeert. Mijn tweede probleem is meer van politieke aard. Want het is op zijn minst ironisch dat Pels zijn betoog over het nut van ‘framing’ verkondigt via een soort van politieke zelfkastijding. Terwijl bijna alles wat ons aan het hart gaat momenteel vanuit rechts onder vuur ligt, trekt Pels het boetekleed aan en verkondigt doodleuk ‘Rechts betichten van fact-free politics is hypocriet’. Om vervolgens zijn betoog af te sluiten met een oproep om de feiten dan ook maar te manipuleren. Een stuk dat helaas past in de traditie van GroenLinks om vooral intellectuele en filosofische bespiegelingen te produceren Want wat is dit betoog anders dan een enigszins narcistische dialoog van GroenLinks met zichzelf, over hoe ze eventueel het debat met rechts zou kunnen voeren?
Intussen smacht links Nederland naar een bevrijding uit de rechtse dominantie van het politieke discours, waarin alles wordt beheerst door economisch nut, efficiëntie, productiviteit en de sociaal-darwinistische selectie van de markt.Maar alle analyses van meta-narratieven ten spijt, lijken wij ook nogvast te zitten in het liberale verhaal van ‘hervormingen’ en economische groei. We praten wel over populisme, maar weten geen sterk concurrerend verhaal tegen dit populisme te formuleren.
Ja, we moeten als links meer durven, en krachtiger vanuit onze waarden vechten. En daar mogen de feiten best een handje bij helpen. Maar zo’n verhaal moet gaan over de wereld die wij voor ogen hebben, en waarom deze wereld de moeite van het vechten waard is. Niet over welk epistemologisch kader het juiste is, of met welke partij we zouden moeten fuseren. Intern is dat misschien zinvol. Maar als dat de belangrijkste problemen zijn waarmee wij naar het publiek toe treden, mag het niet verwonderlijk heten dat GroenLinks wordt gezien als een elitepartij die elke binding met de zorgen van de meeste Nederlands heeft verloren.
Dit stuk verscheen ook op de website van Bureau de Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks.

Recent Comments