Archive
Tussen willen en doen
Weliswaar is 1 juli alweer een tijdje voorbij, maar het kabinet Rutte-Verhagen is nu bijna een feit. Het blijft nog vaag wat de rol van Wilders in dit geheel zal zijn, maar als de afgelopen weken een indicatie zijn geweest, zal het zeker interessante televisie opleveren. Hoe het ook zij, ter linkerzijde kan men zich gaan voorbereiden op de strijd vanuit de oppositiebanken.
Hier en daar is er al een voorschot op deze strijd genomen. De PvdA liet eerder al de partijstrategie uitlekken. Via Facebook wordt ik zelf al enige tijd op de hoogte gehouden van de mening van GroenLinks over een breed scala aan maatschappelijke onderwerpen; van groene stroom tot kinderopvang. Vooralsnog lijkt het daar echter wel bij te blijven: het verkondigen van een mening.
Misschien dat het aan mijn relatieve onervarenheid ligt als het gaat om de reikwijdte van politiek partijen, maar vooralsnog krijg ik de indruk dat er vooral voor eigen parochie gepreekt wordt. Een petitie voor het behoud van de kinderopvang is leuk, maar als een meerderheid van Nederland dat écht belangrijk vond, had er dan geen ander kabinet gezeten? En wat is het signaal dat ermee afgegeven moet worden? Als we de tactiek toepassen die links hanteert om het mandaat van Wilders te ontkrachten, betekent 35.000 stemmen voor behoud van de kinderopvang dan ook dat het de rest van Nederland niet interesseert?
Kortom, we willen wel veel, maar kunnen we ook daadwerkelijk iets doen, behalve vanuit de oppositiebanken schieten op het kabinet? Moet GroenLinks op het partijkantoor door vrijwilligers een eigen kinderopvang opzetten voor de mensen die de reguliere opvang niet meer kunnen betalen? Kunnen GroenLinkse colleges in den lande zoveel mogelijk gemeentelijke voorzieningen en huishoudens over laten schakelen op groene stroom? Kan GroenLinks Nijmegen zelf een rotonde vrij maken van onkruid in plaats van de gemeente te verzoeken dit te doen?
Ik stel me deze vragen vanuit een bredere gedachtengang over de rol van een politieke partij in de samenleving. Is het wenselijk als partijen ook dingen gaan ondernemen, of leidt dat af van de kerntaken? Zou het positief werken als men vaker iets van een partij zag in de eigen buurt, wijk of straat dan alleen met de verkiezingen? Valt een deel van het succes van Wilders te verklaren doordat hij het imago heeft ‘in de samenleving’ te staan en zijn standpunten actief uit te dragen, waar andere partijen zich alleen in ‘Den Haag’ ophouden?
Vier jaar oppositie kan nog lang gaan duren. Hoe zou links zich moeten profileren in die tijd en wat zijn de mogelijkheden, afgezien van de Haagse kanalen? Het zal duidelijk zijn dat ik er nog niet helemaal uit ben, dus commentaar is welkom.
Schijnheiligheid
‘De president komt natuurlijk niet als hier iemand in het kabinet zit die de islam achterlijk noemt. Ik wil niet dat mijn president hier als een clown wordt neergezet.’
Aldus Indonesische ambassadeur over de mogelijke verstoring van relaties tussen Nederland en Indonesië wanneer Wilders in het kabinet terecht zou komen. Om daar vervolgens aan toe te voegen:
‘Misschien hebben Wildersstemmers last van een angstpsychose.’
En dat kon natuurlijk niet. Gelijk verordonneerde Wilders dat Verhagen uit moest rukken om dit recht te laten zetten. Een buitenlander die zomaar een heel contingent PVV-stemmers beledigd is natuurlijk ongehoord. Dat het een buitenlander uit een moslimland is maakt de zaak alleen nog maar erger. De PVV-stemmer is immers ‘het volk’, het volk is heilig, en dus mag je daar niet van zulke uitspraken over doen.
Toegegeven, het was onhandig van de ambassadeur, en het is terecht dat hij zijn excuses heeft aangeboden. Maar ik word er wel ontzettend moe van. Moe van de hypocrisie van Wilders, die er een levenswerk van maakt om moslims bij elke gelegenheid voor het hoofd te stoten, maar zelf gaat jammeren zodra iemand zich ook maar even negatief uitlaat over hem en zijn achterban. Moe van de schijnheilige verheerlijking van diezelfde achterban als ‘Mijn Enige Ware Volk’. Moe van het selectief toepassen van de vrijheid van meningsuiting. En moe van het schijnbare gebrek aan weerstand dat Wilders hierbij van andere politici lijkt te ondervinden. Verhagen is in ieder geval braaf verhaal gaan halen bij de ambassadeur.
Halsema vergeleek Wilders onlangs met de zeurderige puberzoon op de achterbank van de auto, op weg naar het rechtse pretpark. Zelf zie ik meer de opgeschoten adolescent die het hele gezin terroriseert en onder het uitslaan van dreigende taal zijn gang blijft gaan. Moeder Verhagen huilt, vader Rutte balt machteloos zijn vuisten en de jongere broertjes en zusjes zitten angstig onder de tafel.
Kan iemand me vertellen wanneer dit ophoudt en we weer gewoon iets nuttigs gaan doen, zoals het land uit de crisis helpen? Of is het op het spel zetten van onze handelsrelatie met Indonesië de manier waarop Wilders verwacht dit land economisch drijvende te houden?
Kan iemand op zijn minst even de twee standaarden van Wilders naast elkaar leggen, en de goede man laten zien dat ze kilometers van elkaar verschillen? Dan kunnen we daarna de wedstrijd ‘wie is het leukst op TV’ in Den Haag opschorten en weer ouderwets gaan regeren.
Sociale zekerheden: recht of gunst?
Nederlanders houden van rechten. Het liefst hebben we ze zo uitgebreid en talrijk mogelijk. Een recht om te zeggen wat je wilt. Het recht om je eigen godsdienst te kiezen. We hebben recht op een uitkering bij verlies van werk, op onderwijs en zorg. Tegenwoordig vinden we zelfs dat we recht hebben op zaken als een eigen huis met internet en een schone horizon, studiefinanciering en pensioen op je 65e. Al deze rechten worden door de overheid min of meer gewaarborgd. We beschouwen ze als onontvreemdbaar en zijn dan ook snel verongelijkt als ze aangetast dreigen te worden.
Al deze rechten zijn ondertussen zo normaal, dat we er nauwelijks bij stil staan dat ze niet vanzelfsprekend zijn. Niet alleen zijn er voldoende plekken op aarde waar vrijheid van meningsuiting of godsdienst nog uitgevonden moeten worden, maar ook al onze sociale verworvenheden zijn geheel niet universeel. Door gewenning lijken we uit het oog verloren dat we al deze rechten in feite ook als maatschappelijke gunsten kunnen zien. In plaats van recht op studiefinanciering, is de Nederlandse samenleving zo aardig om je een financiële bijdrage te geven zodat je je als student voltijd op je studie kan richten. Eenzelfde redenering kan je volgen voor bijv. stoppen met werken op je 65e, subsidies op kinderopvang of de aanwezigheid van een goed onderhouden wegennet.
Wil ik hiermee zeggen dat al deze zaken ons zonder meer ontnomen zouden mogen worden? Geenszins. Als samenleving hebben we besloten dat bepaalde zaken bijzonder wenselijk zijn, zoals de bijstand en de AOW. We beschouwen dergelijke regelingen als een vorm van beschaving. Andere zaken zijn zinvol vanuit economisch perspectief. Denk aan een goede infrastructuur of subsidies voor startende ondernemers. Sommige maatregelen zijn misschien een combinatie van beiden, zoals studiefinanciering of een toeslag voor kinderopvang.
Wel denk ik dat de manier waarop we over onze verworvenheden denken van grote invloed is op onze houding tegenover de staat, de maatschappij en vooral het eventuele ter discussie stellen van onze ‘rechten’. Rechten ervaren we behoorlijk egocentrisch en passief. We gaan ervan uit dat een ander, meestal de overheid, ervoor zorgt dat hetgeen waar wij recht op hebben georganiseerd wordt.
Maar misschien staan we heel anders tegenover een gunst, bijvoorbeeld met een zekere mate van dankbaarheid tegenover de samenleving die dit mogelijk heeft gemaakt. Of via een actievere houding ten opzichte van de begunstiger, of dat nou de overheid, de maatschappij of de buurman is. En bovendien een proactieve houding als het gaat om het in stand houden van de goede relatie waar de gunst op is gebaseerd, in plaats van de reactieve respons die we zien wanneer mensen voelen dat hun recht wordt ‘afgepakt’.
Betekent dit dat ik verwacht dat alle studenten, werklozen, tweeverdieners en startende ondernemers nu vervallen in slaafse dankbaarheid? Dat zeker niet. Maar ik vraag me af of de student die zich terdege bewust is van de dienst die de samenleving haar bewijst door een studiebeurs te regelen, niet met een andere houding studeert en in de maatschappij staat, dan een student die er bij voorbaat vanuit gaat dat dit geldt hem met recht toekomt. Ditzelfde geldt ook voor de andere voorbeelden die ik eerder gaf.
Nu hoeft niet iedereen die iets ontvangt van de overheid zich direct continu dankbaar op te stellen. Maar af en toe realiseren hoe relatief goed heel veel zaken in Nederland zijn geregeld zou misschien geen kwaad kunnen. Wellicht dat er dan ook wat ruimte is voor een soort van wederdienst aan de maatschappij. De samenleving is immers overal, dus in de eigen omgeving kan zich maar zo een gelegenheid voordoen om iets terug te geven. Dat kan iets simpels zijn als een keer waardering laten blijken aan de favoriete leraar van je kind, tot het met de straat opknappen van het lokale speeltuintje of op kantoor de oude bureaus doneren aan de plaatselijke sjoelvereniging. De vorm is minder belangrijk dan de gedachte. Uiteindelijk valt het samen te vatten in een redelijk vrije, doch bekende parafrase:
“Vraag niet alleen wat dit land nog meer voor u zou kunnen doen, maar bedenk ook eens of u niet iets voor dit land zou kunnen doen.”
