Archive

Archive for the ‘Milieu’ Category

Kernfusiedebat GroenLinks behoeft kritische blik, geen retoriek

May 19, 2011 3 comments

Onlangs verscheen er op de website van GroenLinks een artikel over het Europese kernfusieproject ITER. Gezien de GroenLinkse afkeer van kernenergie verbaasde het me niet dat het geen lofzang was. En ik zal de eerste zijn om toe te geven dat ik vanwege mijn fysische achtergrond enigszins een zwak voor het project heb, omdat alleen al de benodigde natuurkunde en techniek machtig interessant zijn. Met dit stuk wil ik echter geen inhoudelijke discussie over kernfusie beginnen, maar eerder uitdrukking geven aan mijn teleurstelling en onvrede met de manier waarop de Europese fractie het debat over kernfusie voert.

Laat ik vooropstellen dat ik er belang aan hecht dat Europese projecten, net als andere grote investeringen, regelmatig kritisch bekeken worden om ze op hun merites te beoordelen. Maar dat is nou juist wat het stuk van de Europese fractie niet doet. In plaats van inhoudelijke argumenten staat het stuk bol van drogredeneringen en slimme argumentatietechnieken. Qua retoriek is het wellicht een kunststuk, maar het heeft zeker niet het genuanceerde en inhoudelijke niveau dat ik van GroenLinks verwacht en gewend ben.

Het begint al bij de titel, die rept over een ‘miljardensubsidie voor fopzon’. De toon is gelijk gezet en voordat er ook maar een argument voorbij is gekomen, is het experiment veroordeeld. De term ‘miljardensubsidie’ heeft een onverholen associatie met de graaiende bankiers en vieze industrie, terwijl ‘fopzon’ er geen twijfel over laat bestaan dat ITER uiteindelijk één grote grap is. In de inleiding wordt deze voorzet nog even netjes ingekopt, door de uitgaven aan ITER in één zin te noemen met de financiële crisis om het vervolgens af te maken met de momenteel beladen verwijzing naar ‘belastinggeld’. De boodschap is duidelijk: ITER valt in dezelfde categorie als de ING en Griekenland.

De rest van het stuk gaat op dezelfde voet verder. “Monstersubsidie ten koste van groene energie” lezen we in vette letters in een tussenkop. Pas later lezen we dat dit een slechts een ‘zorg’ is van Europarlementariër Eickhout. Natuurlijk kan men elke euro slechts eenmaal uitgeven, maar hier wordt zonder aanleiding de schijn gewekt dat elke euro in ITER een euro minder in een windmolen is. Deze aanname is van een vergelijkbare simpliciteit als het argument van Bolkestein dat investeringen in de cultuursector alleen maar van het budget voor ontwikkelingssamenwerking af kunnen. Faliekante onzin dus, je kan best zowel investeren in kernfusieonderzoek als hernieuwbare energie. Desondanks wordt de tegenstelling nog even extra scherp aangezet door kernfusie onverkort met conventionele kernenergie op één hoop te gooien. Het gelijkstellen van kernfusie en kernsplitsing is echter net zoiets als beweren dat een bromfiets en racefiets hetzelfde zijn, omdat ze beiden twee wielen en het woord “fiets” gemeen hebben.

Een tweede “argument” is dat kernfusie pas in 2080 commercieel zou zijn, en dat we daar niet op kunnen wachten. Hier ben ik het in de kern met Eickhout eens dat we op korte termijn een stevige overstap van fossiel naar duurzaam moeten maken. Maar van een partij die pronkt met de slogan “Zin in de Toekomst” had ik niet verwacht dat ze dan dus maar van de lange termijn zou afzien. Tenslotte is het nou eenmaal een eigenschap van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek dat het resultaat nooit direct commercieel rendabel is. Dat geldt voor kernfusie, maar ook voor onderzoek naar nieuwe medicijnen, ruimtevaart of nanotechnologie. Volgens de logica die Europese fractie hier hanteert, is investeren in een medicijn tegen Alzheimer of AIDS dus ook niet de moeite waard als het niet over een jaar in de apotheek ligt.

Maar wat mij wellicht nog het meeste stoort, is dat Eickhout de argumenten aandraagt die jarenlang door de fossiele lobby tegen duurzame energie zijn aangedragen en altijd door GroenLinks zijn weerlegd. Ook voor zonnecellen, windmolens en biogas zijn immense onderzoeksgelden beschikbaar gemaakt en veel van deze technologieën worden nog steeds ondersteund. Sommige hernieuwbare bronnen, zoals getijden- en golfenergie verkeren zelfs in een nog embryonaler stadium dan kernfusie. Toch is het terechte argument van GroenLinks hier altijd geweest dat subsidies nodig waren om te ontsnappen aan eindige en fossiele brandstoffen. Om nu een andere mogelijke schier onuitputtelijke bron van energie met gelijke argumenten om zeep te helpen, is op zijn minst enigszins dubbel.

Hiermee wil ik geenszins een oordeel vellen over het ITER project zelf. Ik zal niet ontkennen dat de kosten groot zijn, maar de eventuele voordelen zijn dat ook. De zon in een doos stoppen is inderdaad moeilijker dan de stralen hier op aarde opvangen, maar de resulterende energieopwekking is dan ook bijna onnoemlijk veel groter. Natuurlijk kan het zo zijn dat na een kritische en weloverwogen discussie GroenLinks besluit dat het de investering niet waard is, omdat men het risico op een tegenvallend resultaat niet wil lopen. Maar de manier waarop de fractie nu met het onderwerp omgaat, staat nog ver van een dergelijke discussie af.

Categories: GroenLinks, Milieu, Politiek

Review: Sustainable Energy – without the hot air

September 19, 2010 Leave a comment

Ever wondered how many tons of greenhouse gas are saved when a thousand cars are taken ‘off the road’? Or what amount of energy is used by ‘a hundred households’? The potential of solar PV can be ‘huge’, but how huge exactly? If we substitute one nuclear power plant with offshore windmills, how much coastline do we have to sacrifice? When confronted with these questions ‘Sustainable energy – without the hot air’ by David MacKay will be your indispensable guide.

Let me start with perhaps the most relevant advantage of the book: it’s completely free. While you can buy a paperback version at your local bookstore for only a couple of euros, pounds or dollars, MacKay has also provided his book entirely for free on his website.

This book has immediately become one of my personal favorites, not in the least because the author is a physicist with a corresponding love for quantifiable data and numbers. Instead of using vague adjectives and immense superlatives to describe the potential of renewable energy, MacKay pursues a down-to-earth path to explore how much energy we use and what it would take to switch to renewables. Using kWh/person/day as a basic unit, MacKay gradually breaks down the relative importance of various uses of energy and contrasts this with the potential capacity of renewables. This allows the reader to make some interesting comparisons. For instance how many hectares of solar PV farms are equivalent to a kilometer of offshore wind turbinese. Or the amount of corn needed to switch all cars in the UK from gasoline to biofuels.
Throughout the book, MacKay’s message is that we need an energy plan that ‘adds up’. Dabbling in windmills or solar is all nice and well, but to actually make a dent in our fossil fuel consumption, current measures have to be scaled up a few orders of magnitude. Unfortunately, some types of renewable energy conflict with each other. You cannot grow biofuels and put a solar farm on the same acre. Even more depressing is MacKay’s guesstimate of a Britain that is totally reliant on renewable energy. About 80% of its usable land would be converted to energy generation. Fortunately, he also provides a good number of suggestions to scale down our personal energy use and shows how you could easily reduce your heating requirements significantly. Still, he drives home that in order to get off fossil fuels, more investment but especially more commitment is needed. As long as we keep bickering over whose backyard to put the windmills in, we’re not going to get anywhere.

There are few negative points to the book. MacKay’s estimates of energy use are perhaps not entirely accurate, but for a book interested primarily in orders of magnitude, that is not much of a problem. References to more accurate sources are placed at the end of each chapter and MacKay is never afraid to confront his guesswork with reality, usually to good effect.
For readers not from the United Kingdom, relating the situation in the book to their own home country might be a bit of a challenge. Nonetheless, the numbers let themselves easily transposed to any Western European country. On his website, several OpenSource projects have begun translating and relocating the setting of the book as well.

Perhaps the biggest drawback in Sustainable Energy – without the hot air is the relative absence of economic, political and civil considerations. MacKay addresses some of these issues in a few scenario’s for Britain, but does not go into the details of every specific technology or energy-saving measure. These aspects are of course not within the scope of this book. It aims to give a technical comparison of energy consumption and generation, not to be a policy handbook. Still, it leaves the reader with some questions about which options might be economically or politically the most viable.

On the whole Sustainable Energy – without the hot air gives an enlightening insight into the different options of renewable energy, but is also a good ‘how-to’ guide for those who want to reduce their own fossil fuel dependence. For anyone concerned with renewable energy, whether professionally or personally, it is most certainly a must read.

Categories: Milieu

Mooi uitzicht

August 19, 2010 2 comments

China is ‘booming’, zoals dat in mooi Nederlandse bonustaal heet. Voor wie er oog voor heeft is er zelfs iets lichtelijks ironisch aan het spotje van Robeco om nu in China te investeren. Subliminale boodschap: de VS is oud nieuws, China is waar het nu echt gebeurt. Nederlanders kijken dan ook met verwondering, verbazing en een zweem van angst naar dat verre land waar alles zo snel gaat. Chinezen veranderen in tien jaar tijd een lullig vissersdorpje in een megapool met miljoenen inwoners. In Nederland kunnen we in diezelfde periode niet eens fatsoenlijk een stuk spoor naar Dutisland aanleggen. De vraag dringt zich op: waarom niet?

Voor wie het antwoord wil weten is het genoeg om naar Urk te kijken. Urk is een pittoresk vissersdorp waarvan de inwoners het belangrijk vinden dat men zegt dat ze ‘op’ Urk wonen, niet erin. Naast Urk wil men Windpark Noordoostpolder aanleggen. De achterliggende reden van de gemeente Noordoostpolder is dat je beter alle windmolens op één locatie kan neerzetten dan ze door de provincie verspreiden. Op die manier moet de overlast beperkt worden. Urk is het hier echter niet mee eens en heeft bezwaar aangetekend tegen het plan. De windturbines zouden het uitzicht op het voormalig eiland verpesten. Vanwege een ‘procedurefout’ is de inspraakperiode onlangs met zes weken verlengd, wat door de Urkers ongetwijfeld aangegrepen zal worden om meer tegenstand te mobiliseren.

De plannen voor Windpark Noordoostpolder dateren van 2002. De geplande opleverdatum is 2013. Dat betekent dat er zo’n elf jaar is besteed aan het neerzetten van 86 windmolens. Hierbij moet opgemerkt worden dat er gebruik gemaakt is van een Rijksprojectenprocedure, die ervoor moet zorgen dat de aanloop sneller gaat dan gebruikelijk. Het betreft immers een zaak van nationaal belang.

Nu wil ik hier geen oordeel vellen over het argument van de Urkers. Evenmin stel ik dat de situatie in China dus beter is dan in Nederland. Hier worden tenslotte geen miljoenen mensen gedwongen verhuisd als de overheid besluit dat een bepaalde plek in een stuwmeer gaat veranderen. In Nederland zijn er procedures om alle relevante partijen bij een project te betrekken. Het illustreert echter wel waarom alle aanmaningen over VOC-mentaliteit ten spijt, wij het bouw- en groeitempo van sterk opkomende landen als China niet gaan bijbenen. Bij elk project zullen er immers tegenstanders zijn, die verandering, uitstel of afstel nastreven. Kijk naar de windmolens: iedereen is voor schone energie, maar niemand wil een turbine in de achtertuin. En hoeveel voorstanders van kernenergie willen de centrale eigenlijk naast de deur?

Nederlandse zorgvuldigheid komt dus met een bepaalde prijs. Daar is niets mis mee, maar het is wel iets dat we in gedachten mogen houden wanneer we naar het buitenland kijken en ons afvragen waarom alles daar sneller gaat. Zeker met langdurige projecten is het makkelijk om bij oplevering te lamenteren over falende instanties die vertraging niet wisten te voorkomen, terwijl deze tien jaar eerder zijn veroorzaakt door bezorgde burgers die hun eigenbelang nastreefden.

De vraag is waar de middenweg ligt. Als Nederland net zo’n autocratisch regime kende als China, was heel Urk allang gedeporteerd naar Volendam en stonden er nu tweehonderd windmolens in het IJsselmeer. Nu houdt één dorp na het schrappen van 14 van de 100 molens haar verzet nog steeds vol, vanwege het uitzicht. Iedereen zal het erover eens zijn dat het goed is om niet naar het Chinese model te werken, waarbij het individu volledig ondergeschikt is aan het algemeen belang. Wat we ons wel kunnen afvragen is hoever we het tegenstand van een individu willen laten prevaleren over alle andere belanghebbenden.

Categories: Milieu, Politiek
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 520 other followers