Archive

Archive for the ‘Consumentisme’ Category

Luie burgers

December 17, 2011 2 comments

Wie tegenwoordig wel eens een online discussie leest, zal het zijn opgevallen dat je struikelt over twee nieuwe mythische figuren in de Nederlandse cultuur:  de ‘burger’ en de ‘elite’. Als echte archetypen zijn dit geen bestaande wezens, maar vertegenwoordigen ze bepaalde groepen en emoties. De ‘elite’ is het symbool voor alles wat mis is in dit land. Afhankelijk van de auteur bestaat de elite uit Den Haag, Brussel, de grachtengordel, de financiële sector, de media, de academische wereld of gewoonweg iedereen die het lef heeft het met de desbetreffende discussiant oneens te zijn. Ongeacht de invulling of het onderwerp van discussie, de elite vertegenwoordigt alles wat infaam, abject en vilein is in de hedendaagse samenleving.

Daar tegenover stelt men de burger. Soms is de burger Henk en Ingrid, dan weer iedereen die tegen de Europese Grondwet stemde, rekeninghouders bij de DSB, of alle Nederlanders met de juiste huidskleur of godheid. Hoe het ook zij, de burger is immer het slachtoffer van de boosaardige elite. Rein, onschuldig en machteloos wordt deze door de elite in het verderf gestort, als slaaf verkocht aan Brussel, of door ‘culturele Marxisten’ overgeleverd aan het nieuwe islamitische Wereldkalifaat.

Maar liggen de zaken wel zo eenvoudig? Is er een elite die overal de schuld van is, of ligt de zaak voor de burgers toch wat ongemakkelijker? Het klinkt op zijn minst onwaarschijnlijk dat de burgerij, die toch veruit in de meerderheid is en in dit deel van de wereld wél stemrecht heeft, zich alles wat de elite doet maar moet laten welgevallen. Want laten we wel wezen, wat doet de burger in zijn dagelijks bestaan om de democratie vitaal en de samenleving gezond te houden? Voor de meeste burgers is af en toe komen opdraven bij de verkiezingen wel ongeveer de maximale inspanning, en voor een groeiend deel van de bevolking is zelfs dat al teveel gevraagd. Lidmaatschap van politieke partijen neemt eveneens af. Tussen de verkiezingen door is de burger nog wel eens bereid zijn mening aan een peiling toe te vertrouwen, of online te ageren over de staat van het land. Maar als het verbale braaksel wat voornamelijk van de webpagina’s van de dagbladen druipt tekenend is voor de inbreng van de ‘burger’ in het maatschappelijk debat, dan is deze burger eerder een rancuneuze hystericus dan het onschuldige offerlam waar hij zichzelf voor houdt.

Kortom, de ‘burger’ heeft het ook allemaal wel een beetje laten gebeuren. Hij is als een automobilist die eens per uur een ruk aan het stuur geeft, maar vervolgens cruise-control inschakelt en achterover leunt. Hoeveel recht heeft deze brokkenpiloot dan om te klagen als hij vervolgens ergens tegenaan botst? Immers, als de wereld alleen maar bestaat uit de elite en de burgerij, dan is het de taak van de laatste om de eerste in toom te houden. En niet om als het even tegenzit in een hoekje te gaan zitten mokken dat de wereld zo onrechtvaardig is.

Natuurlijk is bovenstaande betoog niet geheel eerlijk. De burger is niet zozeer slachtoffer van een vermeende elite, maar wel van omstandigheden die het moeilijk maken om democratisch geëngageerd te zijn. Vijf belangrijke factoren zijn volgens mij gebroken gemeenschappen, consumentisme, centralisatie, informatiegebrek en simpelweg luiheid van de kant van de burger. Overigens hanteer ik hier het begrip ‘burger’ voor alle leden van onze samenleving, en niet één of andere politiek opportune deelverzameling.

1. Gebroken gemeenschappen
Burgerschap, in de zin van het actief uitoefenen van burgerrechten en -plichten, is makkelijker als deel van een gemeenschap. Maar veel gemeenschappen van ‘vroeger’ zijn verloren gegaan. Het dorp, de vakbond, kerk, familie of schuttersvereniging. We wonen in grotere, anonieme steden, verhuizen vaker en hechten ons minder. We wisselen vaker van politieke voorkeur en baan, en hebben dus minder behoefte aan partij of vakbond. Maar dit maakt de burger enigszins kwetsbaar en alleen, want vanuit een individuele positie de maatschappij engageren is veel moeilijker dan vanuit een groep gelijkgestemden.

2. Consumentisme
Al decennialang horen we de rechtse mantra dat niet de overheid, maar de markt zaligmakend is. Niet hoe je stemt is belangrijk, maar wat je koopt. Als iedereen maar aan zichzelf denkt, dan denkt de markt wel aan ons allen. Deze eenzijdige nadruk op de mens als homo economicus ondermijnt het gevoel van saamhorigheid en burgerschap. Het kweekt consumenten die alleen nog maar denken in termen van (verlicht) eigenbelang, in plaats van burgers die zich verantwoordelijk weten voor het welzijn van de gehele samenleving.

3. Centralisatie
Niet alleen zijn gemeenschappen verdwenen, ze zijn ook uitgehold. De lokale spaarbank is nu ABN AMRO, de bakker en groenteboer op de hoek zijn nu AH en Aldi. Het gemeentelijk energiebedrijf werd eerst Nuon, daarna Vattenfall. Deze partijen nemen beslissingen ver boven het niveau waar de burger zich bevindt.
Hetzelfde geldt voor de overheid. Regels voor Harlingen en Helmond komen uit Den Haag of Brussel. Voor de uitvoering is dit wellicht handig, maar het genereert wel afstand en vervreemding tussen besluitvormers en belanghebbenden.

4. Informatiegebrek
Eén van de voorwaarden voor meningsvorming is informatie. Enerzijds lijkt onze samenleving overspoeld door teveel informatie, terwijl op andere punten de informatievoorziening juist gebrekkig is. Dankzij internet heeft de burger toegang tot een schier oneindig reservoir aan veelal conflicterende en vaak ongefundeerde informatie. Aan de andere kant weten we belachelijk weinig over onze directe vertegenwoordigers. Hoe stemt het door ons gekozen Kamerlid? Wat zijn de inkomsten en uitgaven van onze gemeente? Een politiek proces dat ondoorzichtig en afstandelijk is, creëert vanzelfsprekend wantrouwen en achterdocht.

5. Luiheid
Bovenstaande factoren maken actief burgerschap allemaal moeilijk. Maar ze worden fataal als de burger zelf ook niet bereid is moeite te doen. De vraag is of we democratie niet teveel zijn gaan zien als iets dat zich onafhankelijk van onszelf, de burger, afspeelt. Democratie is het neerleggen van macht bij het volk, maar met die macht komt ook de verantwoordelijkheid. De fouten van onze democratie zijn dus de onze. Als de burgers van een democratie hun tijd liever besteden aan X-factor, World of Warcraft of Nordic Walking dan het vitaal houden van hun samenleving, moeten zij niet later zeuren dat de democratie er zo slecht voor staat.

Wat nu te doen? Voor een deel zijn burgers terecht gefrustreerd over het gebrek aan mogelijkheden om democratisch geëngageerd te zijn. Aan de andere kant zou men zich zelf ook meer kunnen inzetten voor het revitaliseren van de democratie. Hieronder een vijftal suggesties om het burgers makkelijker te maken hun burgerplicht te vervullen.

1. Informatie
De makkelijkste oplossing is informatie. Het is eigenlijk belachelijk dat in de tijd van Web2.0 het nog steeds niet mogelijk is om uit te vinden wat het Kamerlid waarop we hebben gestemd de afgelopen tijd heeft gedaan. Ook lokaal zou de overheid de burger meer kunnen informeren. Waarom kan een gemeente niet in 4 kantjes een overzicht geven van bijvoorbeeld de belangrijkste inkomsten en uitgaven het afgelopen jaar, in plaats van een rapport van 300 pagina’s? Betrokkenheid wordt beduidend makkelijker als men weet waarbij men betrokken kan zijn.

2. Participatie
Zodra de burger goed geïnformeerd is, kan deze gevraagd worden mee te doen aan het besluitvormingsproces. Vooral op lokaal niveau zijn hier meer dan voldoende mogelijkheden. Burgers kunnen prima bedenken wanneer het vuilnis opgehaald moet worden, welk bestemmingsplan voor de wijk ze het aantrekkelijkst vinden en of de gemeente geld moet stoppen in een theater of sportcomplex. Net zo divers als de onderwerpen zijn de methoden: referenda, burgerfora en –jury’s, initiatiefrecht en inloopavonden. Naast het feit dat de burger meer invloed krijgt, heeft participatie nog twee andere voordelen. Ten eerste zullen mensen zich meer verantwoordelijk gaan voelen voor het gekozen beleid. Zij zijn nu immers ‘eigenaar’ van een beslissing. Als je zelf hebt gekozen voor een sportcomplex, ga je niet een jaar later zeuren dat er geen theater is. Maar participatie wekt ook een gevoel voor burgerschap in mensen op. Het blijkt dat deelnemers aan burgerfora na afloop actiever geëngageerd blijven dan voorheen, zowel op lokaal als op nationaal niveau.

3. Ontvankelijke overheid
Als er nu al burgers zijn met een idee of suggestie, lopen die nogal eens tegen een muur van bureaucratie aan. Omdat er voor het idee geen geld is, het niet mag van het bestemmingsplan, of domweg om dat de betreffende ambtenaar ziek of kwijt is. Overheden zouden moeten proberen mensen meer vrijheid te geven om niet alleen onderwerpen politiek te agenderen, maar ook zelf met oplossingen te experimenteren. Waarom zou een wijk bijvoorbeeld niet zelf mogen proberen een braakliggend terrein in een park te veranderen, of het lokale station op te knappen? Er moet dan wel bereidheid zijn het risico op falen te accepteren. Niet elk initiatief zal uiteindelijk een succes worden, maar dat is niet erg zolang duidelijk is dat eigen inzet wel gewaardeerd en gesteund wordt.

4. Nieuwe gemeenschappen
Het is altijd makkelijker iets met een groep mensen aan te pakken, dan alleen. Instanties kunnen hieraan bijdragen door deze groepen te erkennen en bepaalde rechten te geven. Allerlei vormen zijn denkbaar: dorpsraden of wijkverenigingen, personeelsraden of student-medezeggenschap. Het is dan wel belangrijk dat de overheid zich niet laat kapen door een klein groepje mondige mensen, maar alle belanghebbenden weet te horen. Uitermate belangrijk zijn ook politieke partijen, die immers het meest directe kanaal vormen tussen burger, politiek en politici. Betrouwbare en open partijen geven de burger de zekerheid dat zijn belangen permanent bewaakt worden.

5. Actieve burgers
‘Actief burgerschap’  is geen wondermiddel, maar wel een noodzakelijke voorwaarde voor een gezonde samenleving. Dit betekent overigens niet dat de overheid, zoals dit kabinet wil, de burgers zelf alles moet laten opknappen. Burgers die zelf hun lokale bejaardentehuis draaiende moeten houden, zeventien zorgaanbieders moeten coördineren of geen surrogaat-ouder kunnen betalen, hebben helemaal geen tijd meer voor democratische betrokkenheid. Het belangrijkste is dat ‘de burger’ zich realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn samenleving. Wij hebben het voorrecht om in een democratische rechtsstaat te leven, maar aan die vrijheid hangt wel een prijskaartje. En dat is dat we niet achterover kunnen leunen en hopen dat een Verlicht Despoot, Raad van Wijzen of Grote Leider ons het werk uit handen komt nemen en de maatschappij op orde brengt. Nee, in een staat waar burgers aan de macht zijn, zullen ze dat toch echt zelf moeten doen.

Zowel de lijst met factoren als met suggesties is natuurlijk niet uitputtend. En de situatie is complexer dan in een essay van deze lengte kan worden weergegeven. Toch kan de kern van dit betoog volgens mij in vier stukken worden samengevat. Allereerst dat gebrekkige burgerparticipatie niet geen gevolg is van een samenzwerende elite, maar van hinderlijke omstandigheden. Ten tweede dat er bijzonder geschikte manieren zijn om burgers meer invloed te geven. Als derde dat de relatie tussen burger en overheid gevormd wordt door wederzijdse opstellingen: Een overheid die burgers ziet als onwetende, passieve consumenten van een geluksmachine, kweekt inderdaad gefrustreerde burgers die niet eens meer willen stemmen. Maar anderzijds geven ongeïnteresseerde burgers die alleen maar kunnen schelden ook ruimte aan een maatschappij waar hun gezeur terecht wordt genegeerd. Voor een vruchtbare en evenwichtige relatie moeten dus zowel overheid als burger veranderen. De laatste, belangrijkste, opmerking is dat de burger zelf de verantwoordelijkheid moeten nemen de samenleving te verbeteren. In een democratie is er nou eenmaal niemand anders.

Burgerschap is geen vrijwillige bijdrage die kan worden voldaan door af en toe een stembusgang te maken, maar een plicht waar de burger zich dagelijks van moet kwijten. De burger moet zelf machtsmisbruik aanpakken, incompetentie afstraffen en het maatschappelijk debat levend houden. Dat is de prijs van een democratie. Een volk dat die prijs niet wenst te betalen, maar zich terugtrekt in gezeur en gekanker, verdient het om niet zelf te regeren, maar geregeerd te worden.

Occupy: Idealisme voor beginners?

October 21, 2011 2 comments

Er is inmiddels veel geschreven over de Occupy beweging, ook over de demonstraties in Nederland. Er is vooral veel kritiek. Het zou te vaag zijn, een gebrek aan concrete doelen hebben. Het is niet origineel, want gekopieerd uit de VS. De demonstranten zijn ‘weekendrevolutionairen‘  en ‘crypto-kapitalisten‘. De beweging is te breed, of juist niet breed genoeg. Men demonstreert bij de verkeerde instanties. Waarom met 25 man voor de Beurs van Berlage zitten, en niet met 25.000 staan op het Malieveld? En zo wordt Occupy makkelijk weggezet als een zinloos en inspiratieloos project voor een paar verdwaalde idealisten, dat geen enkel resultaat zal hebben.

Maar het is flauw om erop te wijzen dat de demonstranten consumenten zijn. Natuurlijk zijn ze dat. We zijn allemaal consument. We zijn allemaal bourgeois. Er is geen alternatief; onze samenleving is gedefinieerd door het kapitalisme. Andere idealen, perspectieven of ideeën zijn er eigenlijk niet meer. We leven aan het Eind van de Geschiedenis, in post-politieke samenlevingen waarin de logica van de vrije markt, het discours van het liberalisme, het enige is wat we nog kennen. Marxisme of religie, fascisme of monarchie, ze liggen allemaal op de historische afvalbult. Ik herken mij in de woorden van Tony Judt in zijn boek ‘Het Land is Moe’, als hij stelt dat de kapitalistische ideologie zo alomtegenwoordig en normaal is geworden, dat we zelfs het vocabulaire ontberen om er kritiek op te uiten.  Ons is geleerd brave consumenten te zijn, geen moreel handelende burgers. Efficiente economische machines wiens leven eruit bestaat kleine betekenisloze belangen te bevredigen, en die mensenlijk contact vooral in economische termen zien. De grote morele vragen over rechtvaardigheid, eerlijkheid en vooruitgang zijn verworden tot wiskundige analyses van wat rendabel, efficiënt of verkoopbaar is. Van alles kennen wij de prijs, maar van niets meer de waarde.
Natuurlijk zijn de demonstranten dan ook allemaal anti-kapitalist. Het kapitalisme is het enige dat we kennen. Als er niets meer over is om voor te zijn, rest ons slechts om ons tegen het bestaande te keren.

Onze frustratie komt dus deels voort uit de onmacht om het gevoel dat er ‘iets’ niet klopt in deze wereld uit te kunnen drukken. Het ‘iets’ dat mis is in een wereld waar miljoenen sterven aan honger en ziekten, terwijl anderen zich zonder schroom puissant verrijken. Het ‘iets’ in een samenleving waar de waarde van een mens geschaald wordt aan diens salaris. Maar dit onbestendige onbehagen is niet voldoende voor de criticasters van Occupy. We mogen niet protesteren, want we hebben het immers ‘nog nooit zo goed gehad’. We kunnen niet protesteren, omdat we geen idealen meer hebben om ons gevoel van onrecht mee te verantwoorden. En we hoeven ook niet meer te protesteren, want als we allemaal braaf consumeren, zorgt de Onzichtbare Hand dat alles vanzelf goed komt. In onze samenleving is het kopen van goedkope T-shirts en iPads de aanbevolen manier om loonslaven in Bangladesh te helpen.

In een samenleving gefixeerd op economisch nut, waar idealisme iets van voorbije jaren is, is elke vorm van protest zinloos. Idealen leveren niets op, en moraliteit is alleen maar onhandig tijdens het zaken doen. Maar als elke individuele poging om de wereld te verbeteren wordt afgedaan als nietig en zinloos, als elke vraag om regulering wordt gesmoord in de ‘noodzakelijkheid’ van de markt, en als elke kritiek op de bourgeoise samenleving wordt afgedaan als naïeve nostalgie, moeten we dan maar niets meer doen? Dan toch liever bij beurzen en banken staan. Misschien zonder agenda, zonder doel, of zonder organisatie. Maar wel met het groeiend besef dat idealen niets kosten, maar wel heel veel waard zijn.

Categories: Consumentisme, Politiek

‘Kliktivisme’ is digitale zelfbevrediging

October 9, 2011 2 comments

Er bestaan onderwerpen waardoor je je opeens bewust wordt van een generatiekloof. Voor velen de pensioenleeftijd een geliefd onderwerp om de spanningen tussen generaties eens goed aan te zetten. In mijn geval is het vooral het internet dat het hem doet. Eens in de zoveel tijd kom ik weer een hysterische veertigplusser tegen die verkondigt dat ‘mijn’ generatie dankzij internet en sociale media de wereld drastisch gaat verbeteren. Misschien ligt het aan mij, maar ik word alleen cynisch van dat naïeve enthousiasme. Het komt nogal pathetisch over. Alsof de oude garde zich realiseert met welke teringbende ze de volgende generatie hebben achtergelaten en ze nu een hopeloos optimisme nodig hebben om de teleurstelling over hun eigen falen de kop in te drukken. Net als ouders die hun kinderen ter compensatie alle kansen opdringen die ze zelf nooit hebben benut.

Ik vind het maar vreemd, dat haast religieuze geloof in de kracht van de internetgeneratie. ’Activisme’ op internet is meestal niets anders dan narcistische zelfverheerlijking, maar dan publiekelijk. Op Facebook geven we ons profiel een glanzend vernis van zogenaamde betrokkenheid. “Kijk mij eens”, zeggen we “naast Grolsch en Trijntje Oosterhuis vind ik ook ijsberen leuk”. Nou, daar zullen ze op de Noordpool blij mee zijn. Net zo stompzinnig is de moderne variant van de moraliserende kettingbrief, die zich met angstaanjagende regelmaat via goedgelovige sufferds voortplant. “Neem dit bericht over als steun voor de kankerpatiënten.” En zo kunnen we ons na één muisklik laven aan het weldadige gevoel dat we ‘iets goeds’ gedaan hebben. Het is de ultieme verachting van het goede doel. Niet wij staan in dienst van de goede zaak, maar de goede zaak dient ons imago. Of geloven we werkelijk dat er ook maar één kankerpatiënt gebaat is bij ons online pronken met onze ‘liefdadigheid’.

“Internetactivisten” zijn de overtreffende trap van salonsocialisten. We willen de goede zaak best steunen, maar het mag niet meer moeite kosten dan in twee seconden een petitie ondertekenen. “Ook tienduizend studenten zijn er virtueel bij” schreeuwt men over het Malieveld tijdens een demonstratie. Prima, met die instelling kunnen we de volgende keer allemaal thuisblijven. Sturen we alleen presentator met beeldscherm naar Den Haag. Massaal worden we lid van een groep tegen martelingen in Syrië. Alsof Assad daardoor ook maar één burger minder afslacht. Zelfs Medvedev, toch de bedrijfspoedel van Putin, bereikt meer.

Internet kan een prachtig middel zijn voor positieve verandering. Net zoals de boekdrukkunst en telecommunicatie dat zijn geweest. Maar dan moet het net als deze uitvindingen wel in dienst staat van concrete actie. Leg de website van de Syrische overheid lam, of gebruik je bandbreedte om Iraanse dissidenten anoniem op internet te laten. Plaats een oproep voor donaties aan het Kankerfonds. Informeer desnoods je online omgeving over het onrecht in de wereld. Maar val mij niet meer lastig met de vraag om een teddybeer in mijn Avatar te zetten om te laten zien dat ik ‘tegen kindermishandeling’ ben. Van morele zelfbevrediging is de wereld nog nooit beter geworden.

Categories: Consumentisme
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 520 other followers