Archive

Archive for the ‘Veiligheid’ Category

A Nuclear Paradox

One of the interesting perks that comes with being a prospective academic is the conferences you can manage to get yourself invited to. So a week ago, I had the opportunity to attend the annual conference of UK Project On Nuclear Issues (UK PONI), although admittedly, it was more a symposium than a conference. Nonetheless, there was a sufficient number of interesting talks for the audience not to have to pretend it was only there for the free food and wine.

Given the venue and the crowd, it was not entirely unexpected that some talks exalted the virtues of nuclear power, or the latest in nuclear submarine technology. With perhaps half of the audience drawn from Britain’s nuclear establishment, it was also hardly surprising that the overwhelming majority opinion was that keeping with Trident, the UK’s nuclear deterrent, was a singularly good thing. Unilateral disarmament was, it was argued, certainly not in the national interest of the UK and would send a signal of weakness rather then strength to (potential) adversaries. Certainly at a time when other states are increasing or developing their nuclear arsenals, the UK could not dispose of its own.

Now, my background on this issue is somewhat different. I managed to pick up a degree in environmental sciences along the way, and while not necessarily a pacifist, am certainly a Saganite when it comes to nuclear weapons. So one may forgive me for being slightly sceptical about both nuclear power and nuclear weapons. Still, disregarding these qualms for a second, I think there is still something paradoxical to the whole ‘nuclear weapons for national security’ argument.

The ‘nuclear paradox’ the title of this blog refers to the following conundrum: for any single state, having nuclear weapons is ostensibly in its interest, since at the least it deters potential adversaries. But both for this state, and humanity as a whole, it is not advantageous if (many) other states acquire nuclear weapons as well. This problem has been recognized by almost all states and has been enshrined in the Non Proliferation Treaty (NPT), which affirms the five original nuclear weapon states (US, Russia, UK, France and China) and prohibits all other signatories from developing nuclear weapons.

Yet this creates a paradoxical situation. Nuclear weapons launch a state into the club of ‘global powers’, yet it is this status itself which then creates the commitments that call for the maintenance of a nuclear arsenal. Non-nuclear states ostensibly play in a different league, where they can remain relatively secure without a nuclear deterrent. Only nuclear weapons, it is argued, can keep a nuclear power secure, whereas non-nuclear states can do perfectly without. Yet while both positions by themselves are considered logical and rational, moving from either position to the other is considered illegal or plain lunacy, depending on the direction.It is the having that in itself necessitates the keeping.

Of course, a paradox is only an apparent antithesis. And the solution here is that the world simply does not operate on supposedly objective and rational cost-benefit calculations of the national interest. If that were the case, it would be hard to answer why India should have the bomb, but not Iran. Or why nuclear weapons are indispensable to France and the United Kingdom, but unnecessary for Germany. Complementing pure considerations of national interest, however, are other factors, such as prestige, strategic culture, international norms, diplomatic relations and simple historical contingencies. It is these factors that help explain how the nuclear status quo came about, and why most states intend to maintain it.

So why bring this up? Because discussions about nuclear weapons, and especially discussions about whether or not to keep them, are only complete if all these factors are given attention. Framing such discussions only in terms of national interest ignores the historical developments that gave rise to the current distribution of nuclear weapons around the globe and hide that this distribution may not be the most logical, rational or even fair one. Moreover, it leads us back to the nuclear paradox, where a relatively secure nation such as the United Kingdom has to argue that Iran should not develop nuclear weapons. Even though the latter may have ample reason to feel a lot less secure than the nuclear armed UK.

Thus, while national security interests may be the overriding argument in nuclear discussions, we should not confine it to that. After all, if it is not the only factor that explains how the distribution of nuclear weapons developed in the past, we should certainly not make it the only factor to determine our management of a nuclear world in the future.

Categories: Veiligheid Tags: ,

Atoombommen en Antisemitisme

Terwijl er hier in Nederland schijnbaar enige ophef is ontstaan over liefdesuitingen van een innig paar bij een van ‘s lands best bekeken praatprogramma’s, hebben onze Oosterburen een rel van een geheel andere orde. In Duitsland kwam Nobelprijswinnaar Günther Grass de afgelopen dagen onder vuur te liggen naar aanleiding van een gedicht over de gespannen situatie in het Midden Oosten. Kritiek op de staat Israël en de naar zijn mening hypocriete houding van het Westen ten opzichte van Iran, kwam de auteur op niet mis te verstane kritiek te staan. Helaas kwam hierbij ook de welhaast onvermijdelijke term ‘antisemitisme‘ te vallen.

Laat ik vooropstellen dat ik mij geenszins direct met het gedicht van Grass vereenzelvig, noch qua vorm, toonzetting of inhoud. Desondanks is het om twee redenen jammer dat de stellingname van Grass gesmoord dreigt te worden door een opwellend koor van beschuldigingen. Ten eerste omdat de status van Israël als vermeend kernwapenland wel degelijk problematisch is. Ten tweede omdat de strijders tegen antisemitisme zichzelf met te emotionele kritiek op Grass in de voet schieten.

Allereerst de status van Israël. De houding van de internationale gemeenschap wat betreft het bezit van kernwapens kan op zijn minst ambigu genoemd worden. Enerzijds lijkt men er genoegen mee te nemen om binnenkort voor het fait accompli van een Israëlische aanval op Iraanse nucleaire installaties gesteld te worden. Een unilaterale actie die binnen de kaders van het internationaal recht toch bedenkelijk is. Anderzijds is het kernwapenbezit van Israël zelf al enige decennia publiek geheim. Dit betekent onder andere dat het land niet deelneemt aan het wereldwijde non-proliferatie regime, waarmee het nochtans poogt de ontwikkeling van een Iraans arsenaal te verhinderen. De status aparte van Israël wat betreft haar kernwapenarsenaal bewijst het internationale regime dus zeker geen dienst.

Bovenstaande opmerkingen betekenen geenszins dat men een nucleair Iran zou moeten toestaan, of dat vanuit een stabiliteits- en veiligheidsoogpunt een met kernwapens uitgerust Israël en Iran gelijke grootheden zijn. Maar zelfs wanneer men de kritische noot van Grass over de houding van de internationale gemeenschap niet onderschrijft, of deze simpelweg niet wenst te horen, is het contraproductief om hier beschuldigingen van antisemitisme of haat tegenover Israel als overweldigend geschut in stelling te brengen. Als men de status van Israël verdedigbaar vindt, behoort men deze ook inhoudelijk te kunnen verdedigen. Bovendien snijden de bestrijders van het antisemitisme, wat in zichzelf een nobele en noodzakelijke zaak is, zichzelf hiermee in de vingers. Het vereenzelvigen van kritiek op Israël met haat tegen Joden creëert niet alleen wrevel bij hen die de positie van Israel op vanuit puur internationaal politieke overwegingen bekritiseren, maar ondergraaft ook de waakzaamheid tegen het antisemitisme zelf. Wanneer men dergelijk zware beschuldigingen zonder onderscheid toepast op zulke uiteenlopende standpunten als kritiek op het Israëlische kernwapenarsenaal tot de oproep van Hezbollah tot vernietiging van de staat Israël, neemt hun kracht af. Het gevaar is dat anderszins welwillende burgers uiteindelijk verwijten van antisemitisme minder serieus gaat nemen, zelfs wanneer dit wel degelijk gerechtvaardigd is.

Hecht men belang aan het internationale regime tegen kernwapenverspreiding, dan is het wijs kritiek op het Israëlische kernwapenarsenaal niet direct als antisemitisme weg te zetten. Dit betekent echter niet dat een nucleair Israël of Iran gelijkgesteld kunnen worden, of dat Israël een uitzonderingspositie bekleedt. Ook India en Pakistan verhouden zich momenteel op ongemakkelijke wijzen tot het kernwapenregime. Het is niet mogelijk naar een veiliger, wellicht kernwapenvrije wereld te werken, zonder de status van deze landen ter discussie te stellen. Alleen door een dergelijke open discussie mag men hopen dat zij ooit zullen volgen in de voetsporen van Zuid-Afrika, het eerste land dat zich van kernwapens ontdeed.

Categories: Politiek, Veiligheid

RE: Somalische piraterij is legitiem

September 16, 2011 Leave a comment

Mijn meest recente blog over piraterij in Somalië heeft veel commentaar ontvangen, instemmend en sterk afwijzend. Daarmee heeft de provocerende stelling haar doel schijnbaar bereikt. Omdat ingaan op elke afzonderlijke reactie meer tijd vergt dan ik te besteden heb, heb ik ervoor gekozen de meest ten berde gebrachte kritiek samen te vatten en er in één keer gecombineerd op te reageren. Dit essay is dus aanzienlijk langer en genuanceerder dan het eerdere artikel. Overigens wil ik hierbij opmerken dat ik Somalië heb gekozen omdat de internationale orde hier het verst is ontwricht, maar dat het eerdere artikel in principe betrekking kan hebben op ‘ontwikkelingslanden’ in het algemeen.

De voornaamste kritiek heb ik samengevat in de volgende vier argumenten:

1. Ik rechtvaardig elke vorm van (gewelddadige) toe-eigening van andermans eigendom door ‘kansarmen’.
2. Ik ontsla de ‘Somaliër’ van elke vorm van eigen verantwoordelijkheid voor zijn situatie.
3. Ik dring het Westen een interventionistische politiek op.
4. Ik ontken het recht van het Westen om de eigen orde tegen ‘buitenstaanders’ te verdedigen.

Wat betreft het eerste argument: in mijn vorige artikel repte ik van twee redenen die een uittreding uit de ‘internationale orde’ zouden legitimeren. Deze internationale orde beschouw ik als een soort uitvergroot sociaal/civiel contract, waarin wereldburgers deelnemen d.m.v. hun respectievelijke volksvertegenwoordigingen. De orde omvat onder andere internationaal recht, handelsverdragen (WTO) en andere afspraken en instituties (IMF, VN) die tussen staten onderling en alle mensen als wereldburgers gelden. Deze structuur heb ik als neoliberaal omschreven, omdat dat het gedachtegoed aanduidt dat de laatste decennia bij instituties als de Wereldbank, IMF en WTO dominant is.

De twee noodzakelijke voorwaarden die ik onderscheid om als wereldburger dit contract eenzijdig te kunnen opzeggen, zijn (1) door de orde voorgebrachte, vermijdbare radicale onrechtvaardigheid en (2) de onmogelijkheid op deze orde, of de totstandkoming ervan, invloed uit te oefenen.

‘Radicale onrechtvaardigheid’ is een term geïnspireerd op werk van de filosoof T.W. Pogge, die haar ongeveer definieert als een structurele schending van fundamentele mensenrechten, zoals het recht op leven, voedsel en adequate leefomstandigheden. Pas wanneer het systeem deze mensenrechtenschendingen voortbrengt, terwijl een alternatief systeem (tegen relatief geringe kosten) deze schendingen niet kent, is een orde radicaal onrechtvaardig.

Ter illustratie geef ik twee voorbeelden van dergelijke systeemfouten, één contemporain en één historisch.

Een hedendaags probleem is bijvoorbeeld het internationale patentrecht op medicijnen. Farmaceutische bedrijven kunnen nu 30 jaar het monopolie op een medicijn bezitten, en dat via een aantal trucs (zoals het toevoegen van een niet-werkzame stof aan een formule) verder verlengen. Door dit monopolie kunnen veel levensreddende medicijnen, o.a. tegen HIV /AIDS, niet als generiek middel geproduceerd worden. Inperking (dus geen afschaffing) van de exclusiviteitsperiode is echter niet onoverkomelijk voor een farmaceutisch bedrijf, maar kan wel duizenden mensenlevens redden door vroegtijdige beschikbaarheid van meer en goedkopere medicijnen.
Als historisch voorbeeld denk ik aan slavernij. Dit ontneemt mensen immers direct hun vrijheid, en intussen weten we dat een sociale orde zonder slavernij prima te realiseren is. Bovendien illustreert slavernij dat iets wat legaal is, niet direct moreel acceptabel is, of vice versa.

Wat betreft de legitimiteit van een wereldorde is het überhaupt discutabel of van een burger in een dictatuur verwacht mag worden dat deze zich conformeert aan internationale verdragen die door een niet-democratische regering in zijn/haar naam zijn afgesloten. Daarnaast belemmeren gebrek aan (juridische) kennis, middelen en tijd de mogelijkheid van burgers in ontwikkelingslanden, alsook hun regeringen, om internationale afspraken ten gunste van henzelf af te sluiten of te laten herzien. Dit geeft het Westen niet alleen een enorm economisch, politiek en militair overwicht, maar ook een praktische diplomatieke dominantie tijdens internationale onderhandelingen. Dat de enkele afgevaardigde van Benin juridisch niet kan opboksen tegen het honderdkoppige team van de EU is juridisch gezien irrelevant, maar geeft wel te denken over de morele legitimiteit van gemaakte afspraken.

Voor Somalië kan gesteld worden dat aan beide voorwaarden is voldaan. Bij (2) is dit alleen al het geval vanwege het ontbreken van een nationale overheid die namens de burgers zou kunnen spreken op het internationale toneel. Een expliciet ‘bewijs’ van (1) is lastiger, maar het enorme aantal doden in Somalië als gevolg van honger, ziekte en pure uitputting, en de geringe kosten die het voorkomen daarvan zijn voor het Westen, zijn een redelijke aanwijzing dat de huidige situatie niet een Panglossiaanse ‘beste van alle werelden’ is.

Hiermee betoog ik dus ook dat de door mij onderscheiden positie een uitzonderlijke is, die dus niet zonder meer op een werkloze burger in Nederland is toe te passen. Voor deze laatste geldt (1) niet omdat wij een sociaal vangnet kennen en (2) niet omdat een Nederlands burger een aanzienlijk aantal nationale en internationale politieke opties heeft. De aantijging dat ik elke vorm van wederrechtelijke onteigening door ‘kansarmen’ zou legitimeren is dus onwaar.

Wat betreft de tweede kritiek wil ik slechts opmerken dat dit niet waar is, maar dat de focus van mijn betoog simpelweg niet lag op de lokale situatie in Somalië. Natuurlijk hebben lokale factoren een enorme invloed op de situatie in een land. Echter, er is in het Westen een neiging om uitsluitend dergelijke lokale factoren als relevant te beschouwen. Met mijn eerdere betoog wilde ik de aandacht vestigen op het internationale kader waarin deze lokale factoren zich kunnen doen gelden, en waardoor deze beperkt worden. Wie niet in dergelijke internationale kaders gelooft, hoeft alleen maar naar het geval Griekenland te kijken. Als een dergelijk, relatief ontwikkeld land al een speelbal kan worden van internationale markten, supranationale instanties en globale economische ontwikkelingen, is het niets meer dan een farce te veronderstellen dat een ontwikkelingsland als Somalië wel volledig autonoom over haar eigen lot kan beschikken. Het is dus realistischer te accepteren dat de internationale structuur invloed heeft op nationale situaties. Zij die deze structuur scheppen, vormgeven en in stand houden dragen dus een morele verantwoordelijkheid voor haar consequenties.

Overigens wil ik ook kwijt dat een aantal reacties in deze categorie mij behoorlijk gevoelloos en cynisch voorkomen. Een argument als ‘dan moeten ze maar geen burgeroorlog voeren’ is makkelijk gemaakt vanuit de welvaart en veiligheid in Nederland, maar heeft voor de burgers aldaar net zoveel relevantie als een opmerking dat men de hongerdood kan voorkomen door meer te eten.
Bij de derde tegenwerping, namelijk dat ik tot Westerse interventies zou oproepen, wil ik opmerken dat ik nergens expliciet heb ingezet op een interventionistische politiek van het Westen. Sterker nog, mijn betoog kan worden gezien als anti-interventionistisch. Niet omdat ik bij voorbaat humanitaire interventies afkeur, maar omdat deze ineffectief zijn als het internationale systeem zelf humanitaire problemen voortbrengt. Interventies zijn dan slechts een vorm van symptoombestrijding die op korte termijn weliswaar ondraaglijk lijden kunnen verlichten, maar op lange termijn geen oplossing bieden. Immers, als wij hier onze economische ontwikkeling stimuleren ten koste van economische ontwikkeling elders (door ongunstige handelsvoorwaarden) of verdienen aan patenten die elders de verspreiding van goedkope medicijnen voorkomen, hebben ‘humanitaire’ acties geen zin. Dat staat dan gelijk aan met de ene hand slaan, om met de andere een pleister te plakken.

De strekking van mijn betoog is dan ook niet een roep om méér interventies, maar een pleidooi voor een eerlijker internationale orde, waarin de noodzaak voor dergelijke interventies langzaamaan afneemt. Dit is niet geheel kosteloos. Aanpassing van intellectueel eigendomsrecht kan de winsten van farmaceutische bedrijven doen afnemen, en een hervorming van het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft gevolgen voor de agrarische sector. Maar dergelijke structurele veranderingen zijn wellicht minder kostbaar dan de stroom aan humanitaire hulp die nu noodzakelijk is om de negatieve gevolgen van een economische structuur te compenseren.

Het laatste argument dat ik wil behandelen is de aantijging dat ik het recht van het Westen ontken om haar schepen en zeelieden tegen piraten te verdedigen. Dat is geenszins het geval. Ook in mijn vorige artikel heb ik dat expliciet aangehaald. Mijn stelling was dat voor een individu buiten de wereldorde de door ons opgestelde en erkende begrippen als ‘eigendomsrecht’ of ‘criminaliteit’ betekenisloos zijn. Immers, deze concepten kennen geen objectieve geldigheid en ontlenen hun gestalte slechts aan onze keuze ze te begrijpen en erkennen. Ik zal grif toegeven dat dit een meer theoretische dan praktische bespiegeling is, maar als opzet tot een provocerend artikel voldeed zij.
Hiermee hoop ik een wederwoord te hebben gegeven op een aantal kritische reacties op mijn eerdere artikel. Ik koester niet de illusie dat deze voor eenieder bevredigend zullen zijn, of dat de discussie hiermee is afgedaan. Debatten van deze soort blijven immer een kwestie van perspectief, wellicht ook ideologie. Desalniettemin denk ik dat het belangrijk is discussies als deze te voeren, opdat wij niet vergeten dat onze invloed, en dus ook onze verantwoordelijkheid voor onze medemensen, verder reikt dan de landsgrenzen.

Dit stuk is ook geplaatst op <a title="RE: Somalische piraterij is legitiem Vrij-Zinnig.nl

Noot: Het oorspronkelijke artikel is op Joop.nl verschenen onder de titel “Somalische piraterij is niet crimineel”. De gewijzigde titel is een correctere weergave van het filosofisch argument in het eerste artikel.

Categories: Politiek, Veiligheid
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 520 other followers